Je wilt eigenlijk nee zeggen, maar je hoort jezelf toch ja zeggen. Je voelt dat iets niet goed aanvoelt, maar je spreekt je niet uit. Je wilt geen gedoe veroorzaken. Je wilt niet dat iemand boos wordt.

Meestal gebeurt dit onbewust. Het is een diep en oud patroon. Je hebt ooit geleerd om aan te voelen hoe de ander zich voelt. Je merkt een verandering in toon meteen op. Je voelt wanneer iemand geïrriteerd raakt. Je weet wanneer je beter even niets kunt zeggen. En dus pas je je aan. Ga je op je tenen lopen om conflicten te voorkomen. Vaak weet je juist heel goed wat je vindt en wat je wilt. Alleen is er ergens in jou een oude overtuiging die sterk ingebakken zit:


als ik mezelf laat zien zoals ik werkelijk ben, kan ik de ander verliezen.


Het kleine meisjesyndroom: een patroon waarin je als volwassen vrouw op een bepaalde laag van je leven blijft reageren vanuit het kleine meisje dat je ooit was. Want voor een klein meisje is de wereld anders. Een volwassene is groter, sterker en machtiger. Je bent afhankelijk van die ander voor veiligheid, liefde, bescherming en verzorging. Wanneer die volwassene boos wordt, kan dat voor een kind enorm bedreigend zijn. Het zenuwstelsel van een kind maakt een verbinding: boosheid betekent gevaar. Aanpassen betekent veiligheid.

Dus leer je misschien al vroeg om 'lief' te zijn. Om beleefd te zijn. Om geen gedoe te maken. Om te voelen wat de ander nodig heeft. Om je eigen boosheid in te houden. Om niet te veel te vragen. Om vooral niet lastig te zijn. Dat je niet mag tegenspreken. En wat ooit een manier was om je als kind veilig te houden, kan later ongemerkt een patroon worden dat je leven blijft bepalen. Dan kan een boze partner, een teleurgestelde vriendin, een kritische collega of een dominante persoon ineens iets in je aanraken waardoor je je weer klein voelt. De ander wordt groot en jij wordt klein. Je weet misschien rationeel heel goed dat je volwassen bent en dat je veilig bent, maar ergens in je systeem gebeurt iets anders. Je wilt dat de ander weer tevreden is. En voor je het weet heb je alweer gezegd: ja hoor, natuurlijk, terwijl alles in jou eigenlijk nee zegt.

Dat is het vreemde van dit patroon. Aan de buitenkant kan het eruitzien als vriendelijkheid, zorgzaamheid of flexibiliteit. En dat zijn op zichzelf prachtige eigenschappen. Maar wanneer je steeds jezelf moet verlaten om de ander tegemoet te komen, wordt zorgzaamheid zelfverloochening. Dan ben je niet meer werkelijk afgestemd op je eigen behoefte en grenzen; je bent aan het scannen of de ander nog tevreden met je is.

Je denkt dat je de verbinding met de ander beschermt door jezelf aan te passen. Maar juist daardoor wordt de ontmoeting minder echt.


Als ik mezelf niet laat zien, kan jij mij ook niet werkelijk ontmoeten.


Je kunt van me houden, aardig tegen me zijn, met me samenleven. Maar als ik voortdurend aangepast ben, ontmoet je vooral de versie van mij die ik veilig genoeg vind om te laten zien. Je ontmoet degene die rekening houdt, die niet moeilijk doet, die haar woorden zorgvuldig kiest, die haar gevoelens een beetje afzwakt en haar behoeften onder op de stapel legt.

Maar wie ontmoet je dan werkelijk?

Zolang je jezelf niet durft te laten zien of uit te spreken, neem je ook je plek niet helemaal in in je eigen leven. Je bent er wel. Je zorgt, werkt, leeft, hebt relaties, maakt plannen. Maar ergens blijf je jezelf een beetje aan de zijkant houden. Je kijkt eerst naar de ander. Wat vindt die ervan? Is die boos? Is die teleurgesteld? Vindt die mij lastig? Ben ik nog wel aardig? En ondertussen verdwijnt de belangrijkste vraag naar de achtergrond: wat vind ík hiervan?

Je plek innemen betekent voor mij dan ook niet dat je groter moet worden dan de ander. Het betekent niet dat je onafhankelijk moet worden en niemand meer nodig hebt. Het betekent dat je jezelf weer meeneemt. Dat je kunt voelen: dit wil ik. Dit past niet bij mij. Hier heb ik behoefte aan. Dit maakt me blij. Hier ga ik over mijn grens. En vervolgens kun je dat delen met de ander. Je blijft luisteren. Je blijft rekening houden. Je blijft verbonden. Alleen verdwijn jij niet meer uit het contact.

Daar zit voor mij de beweging naar volwassenheid.

Niet van afhankelijk naar onafhankelijk, maar van aanpassen naar afstemmen. Van pleasen naar werkelijk ontmoeten. Van jezelf kleiner maken naar jezelf meenemen. Van het kleine meisje dat veiligheid probeert te creëren naar de volwassen vrouw die aanwezig kan blijven bij wat er gebeurt. Dat is misschien wel een van de moeilijkste dingen om te leren. Dat de ander een andere mening mag hebben zonder dat jij meteen hoeft te twijfelen aan jezelf. Dat iemand teleurgesteld mag zijn zonder dat jij iets verkeerd hebt gedaan. Dat iemand boos mag worden en jij niet automatisch verantwoordelijk bent voor het herstellen van die boosheid.

Je hoeft de ander niet kwijt te raken. Maar je hoeft jezelf ook niet kwijt te raken om de ander bij je te houden.


Ik bén dat kleine meisje niet meer.
Ik draag haar in mij.
En ik leid haar door de situaties heen.


Er is nu een volwassen vrouw die het meisje in jou kan meenemen. Die kan luisteren naar haar angst zonder haar de leiding te geven. Die kan zeggen: ik snap dat je bang bent dat iemand boos wordt. Maar je hoeft jezelf niet meer te verstoppen. Je mag zeggen wat je voelt. Je mag nee zeggen. Iemand mag teleurgesteld zijn. Je bent nog steeds veilig.

En misschien verandert er dan iets wezenlijks in hoe je relaties aangaat.

Want werkelijke ontmoeting vraagt twee mensen die aanwezig zijn. Die zichzelf durven laten zien en tegelijkertijd ruimte maken voor de ander. Dan kan ik zeggen wat er in mij leeft en jij kunt zeggen wat er in jou leeft. Misschien zijn we het eens, misschien niet. Misschien raakt het iets. Misschien schuurt het zelfs. Maar ik hoef mezelf niet meer kleiner te maken en jij hoeft niet groter te worden.


Niet groter worden dan de ander.
Niet kleiner worden dan de ander.
Maar helemaal jezelf zijn, naast de ander.